Vragen of afspraak maken?

Stuur ons een bericht op Whatsapp

Bestands upload

De 4 knelpunten in het pensioenoverleg

Het “pensioenakkoord” en het “pensioenoverleg”. Waar gaat het nu eigenlijk over?

Dinsdag gaat het openbaar vervoer staken. De bonden voeren de druk op ten aanzien van het pensioenoverleg. Maar waar gaat het nu eigenlijk voornamelijk over?   Synerga legt het uit door de 4 belangrijkste punten eruit te lichten en toe te lichten. Er wordt naar gestreefd om op 1 juli een pensioenakkoord te hebben, maar of dat gaat lukken…

 

In de laatste week van mei of de eerste week van juni wil Minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken) met de vakbonden en werkgevers aan tafel om een nieuw akkoord over ons pensioenstelsel te sluiten. Het wordt een volgende poging worden om een aantal ingrijpende pensioenregels te veranderen.

Een eerdere pogingen mislukten, voor het laatst in november 2018. De premier deed te weinig toezeggingen aldus de vakbonden FNV, CNV en VCP. Zij willen een trager stijgende AOW-leeftijd en mogelijkheden voor mensen met zwaar werk om eerder met pensioen te gaan.

Die wensen zijn onveranderd en de bonden voeren de druk nu op. Behalve de openbaarvervoerstaking zijn er stakingen in de bouw, bij schoonmakers en in de industrie te verwachten.

Een van de belangrijkste eisen is dat de AOW-leeftijd op 1 januari níét met vier maanden stijgt naar 66 jaar en 8 maanden, zoals dat nu in de wet staat. Om die stijging tegen te houden, moet de minister vóór 1 juli een wetswijziging langs de Raad van State, de Tweede Kamer en de Eerste Kamer krijgen.

Maar wat zijn nu precies de 4 belangrijkste knelpunten? We zetten het op een rijtje:

 

Punt 1: Kunnen de pensioenen na jaren weer verhoogd worden?

Tot zo’n 15 a 20 jaar geleden was het heel normaal dat gepensioneerden én werknemers jaarlijks een brief waarin stond dat hun pensioen verhoogd werden. We noemen dit indexatie, of meer formeel: toeslagverlening. Op deze manier werden pensioen waardevast gehouden om prijsstijgingen te compenseren. Dit kon doordat er goede rendementen op de beleggingen van de pensioenfondsen behaald werden.

De afgelopen tien jaar zijn de meeste pensioenen niet of nauwelijks verhoogd. De prijzen zijn intussen met bijna 16 procent gestegen. Vooral ouderen vinden dit ondertussen onacceptabel.

In het plan waarover gesproken wordt tussen partijen, kunnen de pensioenen sneller verhoogd worden door nieuwe regels voor de pensioenfondsen. Behaalde beleggingswinsten mogen sneller uitgedeeld worden aan deelnemers. De grote financiële reserves die de fondsen nu moeten aanhouden vervallen dan. De keerzijde is echter dat, omgekeerd, na slechte beleggingsresultaten de pensioenen veel sneller gekort moeten worden dan nu het geval is. Dit korten heet formeel afstempelen.

Wij vragen ons af of deze onstabiele “gegarandeerde” pensioenuitkeringen nu wel écht is wat werknemers willen. Want inleveren op een pensioen wat je eenmaal gewend bent kan heel ingrijpend zijn als je maar net je vaste lasten kunt betalen. Er is al weinig vertrouwen van werknemers in pensioen, en dit zal alleen maar verder dalen als dat gegarandeerde pensioen helemaal niet gegarandeerd blijkt te zijn.

Het vrijvallen van die reserves is goed nieuws, vonden de bonden. Als pensioenfondsen dat geld niet meer in kas hoeven te houden kunnen ze het uitdelen aan de pensioendeelnemers.

Maar aan wie keer je het uit? Aan de gepensioneerden? Aan oudere werknemers of aan de jongeren? Het is de bedoeling dat er nieuwe verdeel-regels komen tussen jong en oud, waardoor vooral mensen van grofweg 40 tot 50 jaar er eenmalig op achteruitgaan. Iedereen vindt dat zij daarvoor gecompenseerd moeten worden, maar hoe? De fondsen kunnen hun reserves, die vrijvallen door de nieuwe rekenregels, daarvoor gebruiken.

Nog een probleem is dat er fondsen zijn die helemaal geen reserves hebben. Als zij toch hun veertigers en vijftigers willen compenseren, lijkt het onvermijdelijk dat de pensioenpremies fors verhoogd zullen worden. Tenzij het kabinet bijspringt met overheidsgeld. Dat zouden de vakbonden graag zien, maar dat wil minister Koolmees weer niet.

We willen er met nadruk op wijzen dat deze discussie gaat over pensioenfondsen (bedrijfstakpensioenfondsen), waar het merendeel van de Nederlanders pensioen opbouwen.  De discussie gaat niet over het pensioen bij verzekeraars. Voor verzekeraars gelden veel strengere regels ten aanzien van de dekkingsgraad (dit is de mate waarin een pensioenuitvoerder haar huidige en toekomstige verplichtingen kan nakomen). Verzekeraars mogen gegarandeerde pensioenen niet afstempelen (verlagen).

 

Punt 2: Stijging van de AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd stijgt veel te snel, vinden de vakbonden. De AOW-leeftijd stijgt naar 67 jaar in 2021. Daarna volgt hij de gemiddelde levensverwachting en door de stijging daarvan is de AOW-leeftijd te zijner tijd al 67 jaar en 3 maanden geworden. Statistieken laten zien dat met de verdere leeftijdstoename van Nederlanders de huidige jonger generatie van zo rond de 25 – 30 jaar pas hun AOW gaan krijgen wanneer zij iets boven de 70 jaar zijn.

Vragen rijzen nu of je mensen van die leeftijd nog effectief kunt inzetten in het arbeidsproces. En die extra leeftijdstoename (het later overlijden van mensen) leveren die wel gezonde levensjaren op?

En recentelijk komt er een meer filosofische vraag naar voren: waarom moeten extra levensjaren toegevoegd worden aan “arbeidsjaren”, waarom niet aan vrije tijd, aan pensioenjaren?

Ook in de Tweede Kamer is de overtuiging gegroeid dat de pensioenleeftijd best langzamer kan stijgen.

Toch wilde het kabinet de bonden in november nog geen langzamere stijging toezeggen.

Het kabinet overweegt om fors geld uit te geven om de bonden tegemoet te komen, aldus geruchten. In het meest waarschijnlijke scenario stijgt de AOW-leeftijd voor ieder gewonnen levensjaar niet meer met een jaar, maar met 6, 7 of 8 maanden. Dat kost heel veel geld, op termijn zo’n 3 tot 4,5 miljard euro per jaar.

Het liefst willen de vakbonden de AOW-leeftijd tijdelijk bevriezen. Een andere mogelijkheid is om de pensioenleeftijd langzamer te laten stijgen richting de 67 jaar, waardoor die hogere AOW leeftijd niet in 2021, maar in 2024 of 2025 wordt bereikt.

 

Punt 3: Vroegpensioen na zwaar werk

Mensen met zware beroepen, zoals bouwvakkers, moeten niet net zo lang doorwerken als mensen die altijd een kantoorbaan hebben gehad, vinden de vakbonden. De bouwvakker is vaak op jongere leeftijd begonnen te werken, overlijdt naar verwachting eerder en heeft meestal minder geld om eerder te kunnen stoppen. Daarom moeten deze mensen geholpen worden, volgens de bonden.

De eis is dat de boete op vroegpensioen wordt afgeschaft. De wet VPL (Vut, Prepensioen en Levensloop) van 1 januari 2006 beëindigde het extra sparen in pensioenregelingen om voor de AOW leeftijd te kunnen stoppen met werken en van je pensioen of VUT te gaan genieten. De premies die vroeger ingelegd konden worden voor VUT en Pre-pensioenregelingen waren aftrekbaar.

Als deze spaarmogelijkheid er weer komt dan kunnen werkgevers weer regelingen bedenken om werknemers, die hun werk niet meer volhouden, met vroegpensioen te sturen.

In november wilde het kabinet de vroegpensioenboete alleen schrappen voor werknemers die in het laatste jaar voor hun AOW-leeftijd zitten. Voor wie in het een na laatste jaar zit, zou de boete gehalveerd worden naar 26 procent. Dat vonden de vakbonden onvoldoende.

Minister Koolmees wil de boete niet volledig afschaffen. Hij vreest dat er dan te veel gebruik van wordt gemaakt, ook door mensen die helemaal geen zwaar werk hebben.

De oplossing lijkt het opstellen van een lijst met zware beroepen, maar de werkgevers en vakbonden hebben al meerdere keren geconstateerd dat dit onhaalbaar is. Ze kunnen geen harde grens trekken tussen zware en lichte beroepen. Het is dus de vraag hoe de onderhandelaars hier uit kunnen komen. Wat wij vreemd vinden is dat er in Oostenrijk wel gewerkt wordt met een zware beroepen regeling. Zonder op de details in te gaan wordt daar gewerkt met een systeem waarbij gemeten wordt hoeveel calorieën je verbruikt tijdens je werk. Dit kan een goede indicatie zijn voor vaststelling of je een zwaar beroep hebt.

 

Punt 4: Pensioenplicht voor zzp’ers

De vakbonden willen zelfstandigen zonder personeel tegen zichzelf in bescherming nemen. Ruim 25% heeft niets geregeld voor zijn of haar oude dag. En de groep zzp-ers is erg groot geworden.

Deze mensen moeten in de toekomst van slechts hun AOW-uitkering leven, vrezen de bonden. De AOW is thans zo’n Eur 10.000 voor samenwonenden en Eur 15.000 voor alleenstaanden. Behalve dat dit een probleem is voor de voormalig zelfstandige, is het ook een probleem voor de samenleving. Zij zullen immers te zijner tijd óók een beroep doen op extra belastinggeld, via bijvoorbeeld huur- en zorgtoeslagen. Mensen met lagere inkomens leven ook ongezonder waardoor er mogelijk een grotere aanslag op ons zorgstelsel gedaan wordt door deze groep.

Maar een pensioenplicht stuit op sterke weerstand van de werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB-Nederland. Die vinden dat ondernemers vrij moeten zijn om hun geld te besteden zoals ze dat willen. Ook de regeringspartijen VVD en D66 zien niets in deze vakbondseis.

Dat er gesproken wordt om zelfstandigen verplicht voor arbeidsongeschiktheid te verzekeren, waar wel wat draagvlak voor is, verandert niets aan hun pensioensituatie en brengt partijen niet dichter bij elkaar om een pensioenakkoord te bereiken.

 

Geldgedreven beslissingen

Veel beslissingen worden genomen door korte termijn gewin. Het is logische dat oudere werknemers en gepensioneerden graag willen dat de reserves van pensioenfondsen nu vrijkomen om hun pensioenen te indexeren, nu zij daar nog van kunnen profiteren. Of jongere werknemers hier zo blij mee moeten zijn? In de toekomst zeer onzekere pensioenen? Pensioenuitkeringen die ineens kunnen dalen? Als je met pensioen bent kun je je inkomsten niet meer sturen en ben je volledig afhankelijk van wat je uit de pensioenpot krijgt.

Waar ook bij stilgestaan mag worden is het feit dat ouderen nog veel meer pensioen hebben kunnen opbouwen in het verleden dat de huidige generatie werkenden. De pensioenopbouw was vroeger vaak een eindloonregeling met hoge opbouwpercentages, ze hadden mooie Vut en prepensioenregelingen en konden stoppen met werken op 60-jarige leeftijd. Nu zijn het middelloonregelingen met lagere opbouwpercentages, die ook nog eens pas op 68-jarige leeftijd vrij komen.  En de beschikbare premiesystemen zijn daar weer een afgeleide van. Ook de emotionele beleving bij pensioen, wat zo’n ontzettend goed en mooi stelsel was (en nog steeds wel is) wordt steeds verder uitgehold.

Dat we er niet uitkomen wat een zwaar beroep is, is opvallend en vreemd. Waarom bestaat er een prima functionerend systeem in een land als Oostenrijk en zou dat hier niet kunnen?

De AOW-leeftijd op laten lopen is ook een zuiver financiële kwestie.  Dat de AOW lastig te financieren is, is duidelijk.  De huidige werkenden betalen premies voor de huidige AOW uitkeringen.  De groep die AOW krijgt is door de vergrijzing steeds groter. Maar, doen alsof mensen van boven de 67, en later van rond de 70 nog steeds vrolijk effectief in te zetten zijn in het beroep wat zij kennen en hun leven lang gedaan hebben is naïef. We worden wel ouder, maar hoe het met de lichamelijke en geestelijke fitheid is vanaf 65 jaar (of deze ook sterk toeneemt) is maar zeer de vraag.

Contact

e-mail uw vraag aan ons

Heeft u vragen of wilt u vrijblijvend een offerte aanvragen? Stuur ons een bericht of neem telefonisch contact met ons op.

040 820 03 53 info@synergabv.nl
Je gebruikt een verouderde webbrowser

Deze website maakt gebruik van moderne technieken die niet worden ondersteund door jouw webbrowser. Update mijn webbrowser

×